‘Wat duvel’ zei Japi,’ ’t dondert toch niet of ’t goed is, je doet wat je kunt, je bent nu eenmaal een stakker. Je moet schilderen. Je kunt ’t toch niet laten. ’t Hindert immers aan de dingen niet of jij ze nou niet heelemaal zoo krijgen kunt als ze zijn. En de lui, die snappen er toch niets van. Van de dingen niet en van je werk niet en van jou niet. Ik kon mijn tijd toch ook een boel beter besteden dan hier te zitten zuipen en naar die verfboel te koekeloeren. Word ìk er minder van?’ ‘Neen, dat deugt niet,  zei i dan, ‘veel te blauw, kerel. Denk je dat je  ’t zoo zou aangepakt hebben als ’t die rare blauwe kleur had?’

 

Uit: ‘den Uitvreter’ van de schrijver Nescio, pseudoniem van J.F.A. Grönloh, 1911.

 

Henk Verkuijlen